De aquarel

In de meest vergaande vorm worden alle Deltawateren betrokken bij het herstel van estuariene dynamiek.  Het Hollands Diep blijft zoet. Er stroomt zoveel rivierwater naar en door het Haringvliet, dat het zout niet verder doordringt dan tot het Spui.

Rivierwater stroomt vanuit het Hollands Diep ook naar het Volkerak-Zoommeer, het Markiezaat en de Binnenschelde. Doorlaatmiddelen in zowel de Philipsdam als de Oesterdam zorgen er voor dat dit water naar de Oosterschelde kan stromen en terug. Er is een geleidelijke overgang van zoet naar zout. Datzelfde is het geval tussen het Volkerak en de Grevelingen.

In de Grevelingendam is een doorlaatmiddel, evenals in de Brouwersdam, waardoor ook de Grevelingen weer een overgangsgebied tussen rivier en zee wordt. Die doorlaatmiddelen zijn zo geconstrueerd dat er (eventueel in combinatie met andere maatregelen) geen zandhonger optreedt. Datzelfde geldt voor de stormvloedkering in de Oosterschelde: er zijn meer openingen en die openingen zijn hydraulisch verbeterd, zodat er meer water in- en uitstroomt. Als hoge rivierafvoeren samengaan met de sluiting van de Maeslant- en de Hartelkering wordt Rijn- en Maaswater geborgen in de Deltawateren, zodat Rotterdam en Dordrecht niet te maken krijgen met wateroverlast. Tegelijkertijd is de waterhuishouding zodanig op orde, dat er geen afwenteling plaatsvindt naar West-Brabant.

Bij lage rivierafvoeren is de landelijke verdeling zo geregeld dat voldoende rivierwater naar de Delta stroomt om de zoet- zoutovergangen in stand te houden. Achterin de Westerschelde is als een uitvloeisel van de Lange Termijn Visie Schelde estuarium ten behoeve van Vlaanderen een verbinding gemaakt met de Oosterschelde: de Overschelde. Onder normale omstandigheden stroomt Oosterscheldewater naar de Westerschelde, waardoor de laagwaterstanden in de Westerschelde wat zullen stijgen. Bij extreem hoog water achterin de Westerschelde fungeert de Overschelde als noodoverlaat en de Oosterschelde als potpolder, die bij hoogwater tijdelijk Westerscheldewater bergt. Zodoende vormt de Oosterschelde een alternatief voor dijkverhogingen.

Dat kan waarschijnlijk alleen als de Oosterschelde gereserveerd wordt voor de Westerschelde en het Rijn-en Maaswater niet via de Oosterschelde, maar via de Grevelingen naar de Noordzee stroomt. Er zijn nog meer verbindingen ontstaan tussen Deltawateren. Bijvoorbeeld de Zoute Kreek (of Jacobakanaal) die het Veerse Meer in het westen verbindt met de Oosterschelde, waardoor de uitwisseling in combinatie met het doorlaatmiddel in de Zandkreekdam drastisch is verbeterd. De harde grens tussen land en water, de dijk, is hier en daar wat zachter gemaakt. Op veel plaatsen zijn bij gemalen voorzieningen getroffen voor de visintrek.

Op enkele plaatsen kan de recreatievaart vanuit het open water landinwaarts gelegen steden bereiken. Het Zwin is als ontmoetingsplaats tussen Noordzeewater en Vlaams en Zeeuws-Vlaams polderwater een estuarium geworden dat zichzelf op diepte houdt. Waar dit zinvol geacht wordt (b.v. bij natuurgebieden) kan zout water gereguleerd binnendijks gebracht worden. Er zijn achter de waterkeringen gronden gereserveerd om op termijn verbrede waterkeringen te realiseren. De eerste pilots van verbrede waterkeringen gecombineerd met meervoudig ruimtegebruik (recreatie, natuur, ocean farming) zijn succesvol uitgevoerd.